Kunnen patiënten met niet-alcoholische leververvetting beter stoppen met drinken?

05/10/2021

Twee recente meta-analyses1,2 onderzoeken het effect van matige alcoholconsumptie bij patiënten met niet-alcoholische leververvetting (de meest voorkomende chronische leveraandoening). Beide onderzoeken vinden een lager risico op vergevorderde leverfibrose bij patiënten die matig drinken. Het advies van de onderzoekers: patiënten met ernstige schade zoals steatohepatitis of gevorderde fibrose moeten alcohol vermijden. Maar patiënten met een laag risico op fibrose mogen matig blijven drinken.

Wat is er al bekend? Zware alcoholconsumptie is een risicofactor voor het ontwikkelen van cirrose bij mensen met niet-alcoholische leververvetting. Recente studies suggereren echter ook een verband tussen matige alcoholconsumptie en een lager risico op gevorderde leverfibrose bij patiënten met niet-alcoholische leververvetting, maar de resultaten zijn wisselend.3,4

Wat voegen deze onderzoeken toe? Wijarnpreecha et al. kijken naar alle cross-sectionele onderzoeken naar matige alcoholconsumptie en het risico op gevorderde leverfibrose bij patiënten met een niet-alcoholische leverziekte. Wongtracul et al. kijken zowel naar cross-sectionele als cohortstudies en kijken naar gevorderde leverfibrose, maar ook naar steatohepatitis, leverkanker en mortaliteit.

Lager risico op gevorderde leverfibrose onder matige drinkers
Beide meta-analyses vinden een verlaagd risico op gevorderde leverfibrose onder niet-alcoholische leververvetting patiënten die matig drinken in vergelijking met patiënten die niet drinken. Het verminderde risico varieert van 40 tot 50%.

Of dit een causaal verband is – dus of alcohol het risico daadwerkelijk verlaagt – is nog onduidelijk. De artikelen noemen meerdere mogelijke mechanismen die de relatie zouden kunnen verklaren, waaronder verbeterde insulineresistentie, verhoogde adiponectinespiegels en antioxidanten. Maar de relatie kan ook te wijten zijn aan patiënten met gevorderde leverfibrose of cirrose die gestopt zijn met drinken op aanraden van hun arts. Zo is het aantal patiënten met fibrose/cirrose hoger onder niet-drinkers.

Lager sterfterisico
Twee afzonderlijke onderzoeken uit de meta-analyses kijken ook naar het sterfterisico. Resultaten laten zien dat patiënten met matige alcoholconsumptie een 15% lager sterfterisico hebben dan geheelonthouders. Omdat deze studies levenslange geheelonthouders als referentiegroep gebruiken, wordt het eerdere probleem van patiënten die zijn gestoptmet drinken vanwege hun ziekte, vermeden.

Hoger risico op leverkanker
Hoewel het risico op een aantal leveraandoeningen lijkt te verlagen door matige alcoholconsumptie, blijkt uit twee afzonderlijke onderzoeken ook dat patiënten die matig drinken een bijna vier keer hoger risico hebben om hepatocellulair carcinoom (leverkanker) te ontwikkelen in vergelijking met niet-drinkers.

Individueel alcoholadvies
Wongtracul et al. sluiten hun onderzoek af met een duidelijk advies: “patiënten met steatohepatitis of gevorderde fibrose hebben een hoog risico voor het ontwikkelen van eindstadium leverziekten; daarom moet alcohol worden vermeden. Maar patiënten met een laag risico op fibrose mogen matig blijven drinken”.

Niet-alcoholische leververvetting
Niet-alcoholische leververvetting is de meest voorkomende chronische leveraandoening en treft wereldwijd ongeveer een kwart van de volwassen bevolking.5 Het verwijst naar een groep aandoeningen waarbij zich overtollig vet ophoopt in de lever van mensen die niet excessief drinken. De meest voorkomende vorm van niet-alcoholische leververvetting is een aandoening die leververvetting wordt genoemd. Dit is nog niet ernstig, maar kan wel leiden tot fibrose, cirrose, leverfalen en een verhoogd risico op hepatocellulair carcinoom. Het ‘niet-alcoholische’ deel van de diagnose verwijst naar het feit dat patiënten minder dan vier glazen per dag drinken voor mannen (42 gram alcohol) en drie voor vrouwen (28 gram alcohol).6

   Sterke punten

  • Beide onderzoeken zijn meta-analyses

   Beperkingen

  • Wijarnpreecha et al: alleen cross-sectionele studies
  • Wijarnpreecha et al: beperkt aantal studies
  • Beide onderzoeken konden vaak niet corrigeren voor ex-drinkers
  • Beide studies hebben een hoge heterogeniteit

Referenties

  1. Wijarnpreecha, K., Aby, E. S., Panjawatanan, P., Lapumnuaypol, K., Cheungpasitporn, W., Lukens, F. J., … & Ungprasert, P. (2021). Modest alcohol consumption and risk of advanced liver fibrosis in nonalcoholic fatty liver disease: a systematic review and meta-analysis. Annals of Gastroenterology34(4), 568.
  2. Wongtrakul, W., Niltwat, S., & Charatcharoenwitthaya, P. (2021). The Effects of Modest Alcohol Consumption on Non-alcoholic Fatty Liver Disease: A Systematic Review and Meta-Analysis. Frontiers in Medicine, 1475.
  3. Dunn W, Sanyal AJ, Brunt EM, et al. Modest alcohol consumption is associated with decreased prevalence of steatohepatitis in patients with non-alcoholic fatty liver disease (NAFLD). J Hepatol 2012;57:384-391.
  4. Yamada K, Mizukoshi E, Seike T, et al. Light alcohol consumption has the potential to suppress hepatocellular injury and liver fibrosis in non-alcoholic fatty liver disease. PLoS One 2018;13:e0191026.
  5. Younossi, Z. M., Koenig, A. B., Abdelatif, D., Fazel, Y., Henry, L., & Wymer, M. (2016). Global epidemiology of nonalcoholic fatty liver disease—meta‐analytic assessment of prevalence, incidence, and outcomes. Hepatology64(1), 73-84.
  6. Chalasani, N., Younossi, Z., Lavine, J. E., Charlton, M., Cusi, K., Rinella, M., … & Sanyal, A. J. (2018). The diagnosis and management of nonalcoholic fatty liver disease: practice guidance from the American Association for the Study of Liver Diseases. Hepatology67(1), 328-357.