Geschiedenis

Bier is ongeveer in 4.000 voor Christus ontstaan. We weten niet precies hoe. Waarschijnlijk ontdekken Sumerische nomaden in Mesopotamië, een streek die we tegenwoordig als Irak kennen, het.

Deze nomaden leren grassen telen en gebruiken als basis voor brood en bier. Met de uitvinding van de akkerbouw komt een einde aan het nomadenbestaan en begint de stedelijke beschaving.

Mesopotamië

De eerste bewijzen dat de mens al duizenden jaren bier drinkt leveren de Sumeriërs, die zo’n 6.000 jaar geleden in Mesopotamië leefden. Het symbool voor bier in het Sumerische spijkerschrift is een kruik met een puntige bodem.

De Sumeriërs bakken eerst een soort broden, die ze vervolgens in water verkruimelen. De pap die zo ontstaat laten ze vergisten. Eventueel brengen ze het bier op smaak met kruiden, honing of dadels. Omdat er in het bier nog allerlei broodkorsten ronddrijven, drinken de eerste bierdrinkers hun bier met een rietje.

Egypte

Ook de oude Egyptenaren in de tijd van de farao’s zijn grote liefhebbers van bier. Bier is voor alle rangen en standen een hoofdbestanddeel van de dagelijkse maaltijd. Het wordt ook gebruikt als offergift aan de goden. En om na de dood geen dorst te krijgen, worden in graven ook miniatuurbrouwerijen, gemaakt van hout en gips, meegegeven. 



Rome

Bij de Romeinen staat bier niet meer in hoog aanzien. Het is de drank van de Germaanse en Keltische stammen die aan de westelijke en noordelijke grenzen van het Romeinse Rijk leven. De Romeinse schrijver Tacitus merkt op dat Germanen zo dol zijn op het gerstenat dat het makkelijker is hen te verslaan met drank dan met wapens. 



Middeleeuwen

In de vroege Middeleeuwen is het brouwen van bier een huishoudelijke bezigheid, voorbehouden aan vrouwen. Naast brood bakken en wassen, brouwen zij voor het gezin een stevig potje bier. Om in hun levensonderhoud te voorzien, brouwen ook kloosterlingen (monniken en nonnen) verschillende bieren. In St. Gallen in Zwitserland is een kloosterbrouwerij uit 820 gedeeltelijk bewaard gebleven. In de tijd van Karel de Grote (rond 800) ontstaan grotere brouwerijen om de hoeveelheden bier te brouwen die nodig zijn voor het hof of voor grotere huishoudens. Naast het thuisbrouwen komt ook het zogenaamde koopbrouwen door ambachtslieden in gebruik.


Hop is in die tijd nog niet bekend om bier zijn bekende bittere smaak te geven. Brouwers brengen het bier op smaak met allerlei kruiden, die gruit worden genoemd. Het brengt de landsheren een aardige duit op. De brouwers, die gruit gebruiken, moeten aan de landsheren, op wiens grond het gruit geoogst wordt, belasting betalen. Deze bijzondere belasting – het gruitrecht – is de voorloper van de accijns zoals we die nog steeds kennen.


De Middeleeuwer is een dorstig type. Met gemak drinkt iedere man, vrouw of kind 300 liter bier per jaar. Ze weten dat je ziek wordt van het water uit sloten en grachten. Alternatieven als koffie, thee of wijn bestaan nog niet of zijn te duur. Het bier dat de Middeleeuwer dagelijks drinkt lijkt overigens niet op het bier dat we nu drinken. Het bevat maar heel weinig alcohol en smaakt waarschijnlijk vrij zuur.
Met de koopbrouwer is ook de commerciële brouwerij geboren. 

Het aantal brouwerijen stijgt gestaag. Steden met meer dan honderd brouwerijen zijn geen uitzondering. Bekende brouwsteden uit die tijd zijn Amersfoort, Delft, Haarlem en Gouda. De brouwers verenigen zich in gilden en zijn vaak de machtigste kooplieden in de stad of streek. Men beweert zelfs dat de overwinning op de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog grotendeels met bieraccijnzen gefinancierd is.

In de talrijke kloosters en abdijen wordt de kunst van het bierbrouwen steeds verder verfijnd. Waarschijnlijk ontstaat ook daar het idee om gruit in bier te vervangen door hop. Bier met hop is smakelijker. Bovendien bederft het minder snel. Commerciële brouwers zien hier al snel de voordelen van in. Het wordt mogelijk om bier zonder kwaliteitsverlies te exporteren. De houders van het gruitrecht proberen lange tijd via allerlei verboden dit bier tegen te houden. Zonder gruit immers geen inkomsten! Het is een vergeefse strijd. Hoppebier blijkt onweerstaanbaar voor de consument. Stad na stad wordt het gruitrecht omgezet in een accijns op de hoeveelheid gebrouwen bier. Vanaf de vijftiende eeuw wordt vrijwel alleen nog maar hoppebier gebrouwen. 


Moderne tijd

De grote en belangrijkste technologische ontwikkelingen in de brouwerij kwamen pas na ongeveer 1800. Kennis van scheikunde en biologie ontwikkellen zich gestaag en worden de basis van de moderne brouwerij. Rond 1870 ontdekt de Fransman Louis Pasteur de werking van gist. Het boek dat hij hierover schrijft heet ‘Etudes sur la bière’ (Studie naar bier). Het is opvallend dat een Fransman dit baanbrekende werk doet met bier in plaats van wijn. Pasteur ontdekt ook dat als men het bier voor het afvullen verhit tot 70-80 graden Celsius, diverse bacteriën en de gist sterven en daardoor geen schade aan de smaak van het bier kunnen aanrichten. Dit proces wordt naar hem vernoemd: pasteuriseren.

Ondertussen is in Bohemen een nieuw soort bier uitgevonden, een bier dat we nu kennen onder de naam pils. Om pils te kunnen brouwen moet het bij lage temperaturen vergisten en lageren. Dat kan in ons land pas effectief als rond 1880 de koelmachine wordt uitgevonden. Tot die tijd moet de brouwer in de winter staven ijs uit sloten, rivieren en meren hakken om het bier ook in de zomer koel te houden. Maar als de Nederlandse brouwers de kunst van het pils brouwen onder de knie krijgen, gaat het snel. Pils wordt razend snel het meest gedronken biertype. Zo zeer zelfs, dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw bijna alleen nog maar pils gebrouwen wordt in Nederland. Bier en pils zijn synoniem geworden.


Halverwege de jaren tachtig begint een tegenbeweging. Anders smakende bieren uit België worden populair en het duurt niet lang voordat bestaande en nieuwe kleine brouwerijen ook in Nederland beginnen met het brouwen van speciaalbier. Soms worden oude recepten nieuw leven ingeblazen, vaak ook verzint een brouwer een creatief nieuw recept.

 Ondanks de populariteit van pils blijkt de Nederlander minder dorstig dan de buren in Duitsland en België. Een dieptepunt wordt bereikt in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog. In 1949 drinkt de Nederlander gemiddeld niet meer dan tien liter bier per jaar. Om het tij te keren zette het Centraal Brouwerij Kantoor (nu Nederlandse Brouwers) in de jaren vijftig een reclamecampagne op met de slogan: “Het bier is weer best”. De campagne heeft succes. Halverwege de jaren zestig stijgt de bierconsumptie tot 40 liter. Het begin van de jaren negentig laat een voorlopig hoogtepunt zien van 90 liter. Inmiddels drinken we gemiddeld tussen de 70-80 liter bier per Nederlander per jaar.

Biergiganten
Aan het eind van de vorige eeuw ontstaan gigantische brouwconcerns. ABInBev (o.a. Dommelsch en Hertog Jan) brouwt een kwart van het bier in de wereld. Met SABMiller (o.a. Grolsch) en Heineken heeft Nederland nog twee wereldspelers op de markt.